Kinderen krijgen zakgeld tot ze financieel zelfstandig zijn, maar in de praktijk stopt zakgeld voor de meeste jongeren ergens tussen hun 18de en 23ste jaar. De precieze leeftijd hangt af van de gezinssituatie, of een jongere studeert of werkt, en hoe ouders omgaan met financiële opvoeding. Er is geen vaste eindleeftijd die voor iedereen geldt.
Tot welke leeftijd zakgeld geven: de grote lijnen
De meeste ouders stoppen met zakgeld geven op het moment dat een kind een eigen inkomen heeft of op zichzelf woont. Dat is voor veel jongeren rond hun 18de, als ze van school gaan en een baan of studie beginnen. Studenten die thuis blijven wonen en geen eigen inkomen hebben, krijgen soms tot hun 20ste of 21ste nog een bijdrage van ouders, maar dat is dan eerder een maandelijkse toelage dan klassiek zakgeld.
Bij jongere kinderen verschuift zakgeld naarmate ze ouder worden vaak naar kleedgeld. Rond de 12 tot 14 jaar beginnen veel ouders naast zakgeld ook een bedrag voor kleding te geven, zodat jongeren leren zelf keuzes te maken met een groter budget. Dat kleedgeld loopt dan door tot het einde van de middelbare school, waarna de meeste jongeren zelf gaan werken of een uitkering zoals studiefinanciering ontvangen.
Wanneer beginnen met zakgeld?
Volgens het Nibud kunnen kinderen munten herkennen en begrijpen wat geld is vanaf ongeveer 6 jaar. Dat maakt de basisschoolleeftijd het logische startpunt. Jonge kinderen leren zo stap voor stap omgaan met geld, sparen voor iets wat ze willen, en dat je niet alles tegelijk kunt kopen. Dat is precies de basis die ze later nodig hebben.
De overgang: van zakgeld naar financiële zelfstandigheid
Rond de 16 tot 18 jaar werken veel jongeren al een paar uur per week. Op dat moment hebben ze hun eigen inkomsten en neemt de behoefte aan zakgeld van ouders af. Een handige vuistregel: zodra een jongere genoeg verdient om kleine dagelijkse uitgaven zelf te betalen, is zakgeld niet meer nodig. Dat hoeft niet van de ene op de andere dag te stoppen. Veel ouders bouwen het geleidelijk af, zodat de jongere leert plannen met een eigen inkomen.
Studenten zonder bijbaan zitten in een andere situatie. Zij hebben wel kosten maar vaak weinig inkomsten. Ouders kiezen er dan soms voor om een maandelijkse bijdrage te geven naast studiefinanciering. Dat is strikt genomen geen zakgeld meer, maar het vervult wel dezelfde functie: genoeg geld om rond te komen zonder steeds te hoeven vragen.
Wat is een logisch afbouwschema?
Een globaal overzicht van hoe zakgeld zich ontwikkelt naar leeftijd:
- 6 tot 12 jaar: klein zakgeld voor kleine uitgaven, bedoeld om te oefenen met geld
- 12 tot 16 jaar: zakgeld plus eventueel kleedgeld, hogere bedragen, meer eigen verantwoordelijkheid
- 16 tot 18 jaar: zakgeld loopt terug naarmate bijbaantjes beginnen
- 18 jaar en ouder: zakgeld stopt voor de meeste jongeren; eventueel een tijdelijke toelage voor studenten zonder eigen inkomen
Dit is geen vaste regel, maar het geeft een richtlijn die voor veel gezinnen herkenbaar is.
Wanneer is het verstandig om eerder te stoppen?
Als een jongere van 16 of 17 jaar al een bijbaan heeft en meer verdient dan het zakgeld dat hij of zij van ouders krijgt, heeft verdergaan met zakgeld weinig zin meer. Het leert de jongere niets nieuws en kan zelfs in de weg zitten: met zowel een eigen inkomen als zakgeld van ouders is er weinig reden om keuzes te maken of te sparen. Eerder stoppen kan dan juist bijdragen aan financieel bewustzijn.
Omgekeerd geldt: als een jongere van 20 jaar nog studeert, thuis woont en nauwelijks verdient, is een bijdrage van ouders in veel gevallen gewoon praktisch. Noem het geen zakgeld, maar het effect is hetzelfde.
De leeftijd waarop zakgeld stopt is dus geen magisch getal. Het gaat erom dat een jongere op eigen benen kan staan. Dat moment verschilt per persoon, per opleiding en per gezinssituatie. Wat telt is dat de overgang geleidelijk gaat en dat een jongere tegen de tijd dat zakgeld stopt, weet hoe hij of zij met geld omgaat.



